Interview Esther Schoonhoven

Robin Hendriks

Robin Hendriks

Founder at R / H
Robin Hendriks (1994) is in 2016 afgestudeerd aan de Willem de Kooning. Ze werkt als freelance schrijver, ontwerper, maker en is daarnaast elke zondag te vinden in het dierenasiel. Haar werk gaat bijna altijd over de mens en perceptie. Voor WOW schrijft ze over kunst en de mens.
Robin Hendriks

Latest posts by Robin Hendriks (see all)

Als ik aankom zit Esther al op mij te wachten, keurig op tijd. We nemen plaats aan een grote tafel, voor mij zit een vrouw die duidelijk weet wat ze wil. Na haar middelbare school is ze gaan studeren aan de HTS bouwkunde om daarna door te stromen naar de Academie van Bouwkunst. Na haar opleiding is ze aan de slag gegaan als architect maar rond 2008 begon het te kriebelen. In de avond uren begon ze aan de opleiding tekenen en grafiek aan de Willem de Kooning. Voor haar een perfecte balans tussen architectuur projecten en zelf vrij werk maken. Sindsdien is haar tijd verdeeld in geld verdienen en kunstenaar zijn. Een combinatie waar ik graag meer over wil weten.

R: Wat heeft je doen besluiten om toch nog een opleiding aan de academie te doen?
E: Waarom ik onder andere de academie ben gaan doen is omdat projecten waar ik vaak in werk binnen de architectuur veelal 2 tot 3 jaar duren. Dus je leercurve duurt twee jaar en het programma van eisen wordt opgelegd van buiten af door de opdrachtgever. Dan heb je nog met uitvoerende partijen te maken en je werkgever op het bureau waarvoor je werkt. Er is dus heel veel input van buitenaf waar je creatief mee moet om gaan. Dat maakt het werk ook heel leuk en uitdagend maar ik merkte wel dat ik van experimenteren en onderzoeken hou. Dat is iets wat je in de bouwwereld niet altijd kan doen. Muren moeten vaak recht zijn en mensen die willen experimenteren kom je niet zo gauw tegen in die wereld.

Het beïnvloed elkaar nu ook wel. Ik heb een goeie opleiding gehad op de Willem de Kooning. Is wel altijd een beetje afhankelijk van de docenten die je krijgt. We hadden een grafische werkplaats tot onze beschikking waar continue twee docenten rondliepen. Die stimuleerden ook echt het experiment. Grafiek kan heel oudbollig zijn maar de docenten lieten je vrij. Als je de principes kende dan mocht je best wel eens de pers onderste boven draaien. Als je maar wist wat je deed en als iemand anders daarna ook nog gewoon kon werken.

R: Hoe ziet jou dagelijkse dag er een beetje uit als je je werk combineert met je vrije werk?
E: Ik ben sinds kort zelfstandig en daarmee wordt mijn ritme ook heel erg bepaald. Al hoop ik wel dat daar straks wat meer regelmaat in komt. Over het algemeen ben ik overdag met mijn opdrachten bezig en in het weekend en ‘s avonds ben ik met eigen dingen maken bezig. Dat is wat onregelmatiger.

R: Het werk wat je nu hebt hangen wil je daar ook een specifiek verhaal mee vertellen?
E: Er zit wel een verhaal achter het werk wat ik maak maar het is niet zo dat ik dat verhaal ook aan de kijker wil overdragen. Wat ik fijn vind aan kunst is dat ik er zelf een relatie mee kan aangaan. Als ik werk zie en denk ‘wauw!’ Dat moment, een klik met een beeld, dat is volgens mij heel belangrijk voor kunst. Dan ga je er een eigen relatie mee aan en als ik daar als maker doorheen ga met mijn eigen bedoelingen dan verbreek je de eerste verbinding die iemand met zo’n werk aan gaat. Voor mij hoeft dat niet, vertellen wat ik bijvoorbeeld vervelend vind aan de maatschappij en dat aan anderen laten zien doormiddel van mijn werk. Mijn werk maak ik wel altijd vanuit een persoonlijke ervaring of beleving maar dat hoeft degene die het werk mooi of lelijk vindt niet overgedragen te krijgen. Doormiddel van mijn werken kan ik bepaalde indrukken of ervaringen een plek geven en zo meer ruimte in mijn hoofd creëren en nieuwe indrukken kan verwerken.

Een ander werk wat hier hangt heb ik gemaakt met thinner druk. Dus ik heb veel kranten verzameld en daarmee eigenlijk ook al het leed wat zich afspeelt in de wereld. Als je dat op deze manier herdrukt komt het in spiegelbeeld. Maar daarmee leg je ook de vluchtigheid van de krant vast. Kranten gooi je weg en de kranten koppen zullen binnen mijn werk langer blijven bestaan. Maar het is wel minder makkelijk te lezen en te herkennen. Het beeld wat ik er nog over heen heb gedrukt is een verwerkte reactie op al dat leed.

Voor een ander werk heb ik mij een jaar lang gefocust op opruimen. Hoe het kan dat iedereen en alles heel graag wil dat we opruimen maar ze willen ook dat we heel veel dingen kopen. Hoe complex zit die relatie in elkaar. Waar laten we onze rotzooi dan, verdwijnt het ook echt? Dat heb ik eigenlijk in mijn tekeningen zichtbaar gemaakt. Het is niet zo zeer kritiek maar meer een vraag, waar staan we nu eigenlijk? Het is meer onderzoekend werk en juist niet belerend bedoeld.

R: Voor jou is het belangrijk om een kunstwerk echt tot je te laten spreken, wat is voor jou dan de ideale manier om naar kunst te kijken?
E: Ik denk dat je je moet laten verassen en ook de wil moet hebben om je te laten verassen. Open staan voor wat je ziet en vragen blijven stellen. Je kan er blij van worden of juist denken ‘ja zo kan je ook tegen de wereld aan kijken’. Ik denk dat ik persoonlijk bij kunst ook minder vaak bevestigd wil worden in mijn denkbeelden. Ik wil veel liever zien dat de wereld niet vaststaand is en dat mijn overtuigingen echt niet de enige zijn. Ik vind veelzijdigheid heel belangrijk.

R: Jij hebt een redelijk specifieke werkmethode die je niet zomaar overal kan doen, waar druk jij op dit moment?
E: Ik werk in atelier Minnigh. Joost Minnigh is een Rotterdamse graficus, toen hij overleden is heeft zijn vrouw veel van zijn werken verkocht behalve de machines. Die zijn naar een stichting gegaan en met 4 of 5  mensen huren we samen zijn oude atelier. Wij gebruiken dus die machines waar hij mee heeft gewerkt, dat is wel heel mooi. We werken wel vaak langs elkaar heen, iedereen komt natuurlijk op andere tijdstippen maar we werken ook wel eens samen en we leren ook weer van elkaar. De eerste dinsdag avond van de maand proberen we wel met zijn allen bij elkaar te komen maar niemand is verplicht haha. Er zijn niet zo heel veel grafische werkplaats mogelijkheden hier in Rotterdam dus we proberen het wel kleinschalig te houden om het zo voor iedereen fijn werkbaar te houden.

Er is ook niet zo veel vraag meer naar, bijvoorbeeld op de WDKA is het hele onderwijs systeem verandert. Je moet eerst een concept bedenken en dan ga je opzoek naar technieken in de werkplaatsen. Teken lessen worden ook niet meer gegeven op de academie sinds 2 jaar en de officiële grafiek richting is ook gestopt. Maar tijdens mijn studie zag ik meer en meer mensen verzot raken op zeefdrukken omdat dat minder perfect is als een printer. De docent die ik daar gehad heb die probeert ook nog steeds wel mensen enthousiast te maken voor de oudere druk technieken. Ik denk alleen dat deze manier van werken nooit helemaal zal verdwijnen anders had het dat al gedaan. Het heeft toch waarde. Misschien veranderd het of wordt het minder maar de kern blijft wel denk ik.

R: Waarom heb jij zo duidelijk gekozen voor een haast ambachtelijke manier van werken die redelijk op de achtergrond is verdwenen?
E: We kunnen niet alles digitaal maken en juist het werken met je handen, daar heb ik behoefte aan. Het heeft naar mijn idee ook een andere leercurve, je bent daadwerkelijk met je handen bezig dus je oog hand coördinatie werkt anders dan de snelle commando’s en klikjes op je computer. Je faalt op een andere manier en dat is tof.  Je ontdekt andere dingen daardoor. Waarom ik dat zo leuk vond op de academie, dat klooien, dat je fout misschien helemaal niet zo fout was maar dat het juist het effect gaf waarnaar je opzoek was. Dan moet je wel ontdekken wat je fout deed om het te kunnen reproduceren. Dat is met de computer natuurlijk op een heel andere manier, daar is het streven naar perfectie een belangrijker iets. Ik streef nooit naar perfectie, ik snap niet wat perfectie is. Ik geloof ook wel dat mensen als ze naar een werk kijken dat ze dat ergens zien, voelen of ervaren. Dat je er anders naar kijkt dan een poster die perfect geprint is want dat kan je misschien wel snel de klik maken naar reclame achtige dingen. Als je ziet dat iets met de hand gemaakt is, dat werkt anders maar ik heb er natuurlijk geen onderzoek naar gedaan.

R: Wat is het grootste verschil wat je in jou eigen leven hebt gemerkt sinds je de opleiding hebt afgerond?
E: Ik denk dat je door fases heen gaat. In de architectenwereld ga je van project naar project en juist door het rommelen met materialen en het ontdekken wordt ik ontvankelijker. Mijn hoofd wordt rijker, ikzelf wordt ervaringen rijker, kundiger en daardoor heb je meer plezier en zie je meer mogelijkheden. De wereld blijft minder aan je kleven, het is bijna meditatie maar dan aardser.

R: Om het gesprek af te sluiten de laatste vraag, waar ben jij het meest dankbaar voor?
E: Ik ben het meest dankbaar voor het feit dat je je als mensen altijd kan blijven ontwikkelen. Ja dat is het, kort en helder haha.

En daarmee sluiten we het interview af. Ik heb zo’n vermoeden dat deze vrouw nog lang niet uit ontwikkeld is en dat we nog veel van haar gaan horen.

The Sound of Parbo deel 3 Bonanza, Kaseko, huiscafe Speakeasy en de Tempel

PietHein

PietHein

Sociale Akademie/Kultureel werker
Toneelacademie Maastricht
Schrijvervakschool 't Colofon
Toneelschrijven, columns
Werkte als acteur en danser in films en theater
Werkte als regisseur aan theaterproducties
Is oprichter Buurtatelier Zwaerdecroonstraat
Werkt voor Cretopia-Rotterdam
Werkt voor Wow-Rotterdam
Werkt voor M.I.E.P West-Kruiskade (marketing, imago, events, pr)
Werkt voor Rotterdam Street Art Museum
PietHein

Latest posts by PietHein (see all)

Met dank aan Evan van der Most/ Dig It Up

Bonanza

Kid Dynamite

Zestien jaar verder (1953) zien we Kid wekelijks terug op het podium van La Bonanza. Een chique ‘South-American Nightclub’ in de Van Speykstraat, op de plaats waar nu het plein met Leeszaal West zit. Volgens een oud woordenboek uit de Leeszaal betekent een bonanza een goudschat, of financiële meevaller. De Surinaamse eigenaar van deze vroege, Latijns-Amerikaanse smeltkroes, de breeddenkende entrepreneur Lou Hidalgo, telde Surinaamse ministers en Rotterdamse wethouders onder zijn klanten, en bood zijn muzikale landgenoot Dynamite hier als eerste de ruimte voor een bijzonder experiment. Niets minder dan de versmelting van de moderne jazz en de Surinaamse volksziel. De kaseko uit Kid’s jeugd.

Kaseko komt voort uit kawina. De Afrikaanse dans die samen met de winti via overvolle slavenschepen naar Suriname werd gebracht. Door de kolonialen als duivels gezien overleefde kawina eeuwenlang diep in het regenwoud, bij de Marrons, de grootste gemeenschap van weggelopen slaven op het westelijk halfrond. De Marrons waren legendarische guerrilla’s en geslepen onderhandelaren, en nog muzikaal ook. Begin vorige eeuw kwam kawina terug uit het bos en mixte met de koloniale kapel (tuba’s), en de nieuwe New Orleans jazz, tot de mengvorm kaseko. Direct na de Tweede Wereldoorlog kwam de grote kaseko revival – de opstanding – waarbij hij zich verder mengde met Afro-Caribische ritmes als calypso. Zijn grote populariteit is er vanaf dat moment, maar heer Kaseko kijkt niet om, en blijft zich als een echte Surinamer moderniseren.

Kid Dynamite werd opgevoed door zijn nog tijdens de slavernij geboren oma. Een wintipriesteres. Op het podium zwaaide hij soms wild met zijn sax om zich heen, om boze geesten te verjagen. In een bewaard gebleven fragment van de Bonanza Boys op de radio, AVRO 1955, kondigt hij in zijn diepe rumstem een kawina aan: ‘De Winti-dansi is een dans, die bij een groot vuur wordt uitgevoerd, waarbij de slang wordt vereerd.’

Winti is een dans om in trance te komen. Om in je soul te kijken wat er allemaal mis is. Legende gaat dat tenorsaxofonist Sonny Rollins zijn beroemde calypso St. Thomas in 1956 opnam, nadat hij Kid de Surinaamse melodie Syen No Dee (Ze is schaamteloos), in zijn ritmische winti-groove hoorde spelen. En daar miljoenen, oftewel een bonanza mee verdiende. Voor een nuchtere Hollander een onwaarschijnlijk verhaal, aangezien Rollins pas in 1959 voor het eerst in Nederland optrad. Maar het illustreert wel Dynamite’s hoge niveau. Kid Dynamite in La Bonanza is een historische schakel. Een keti tussen Suriname en Rotterdam.

Best of both worlds

In het Paramaribo van de jaren 50 is Teddy Treurniet nog een echte natuurboy. Op een uitgeholde boomstam (conga) en met kalebassen gevuld met rijst (maraccas) begint hij op zijn achtste op verjaardagen te spelen. Zijn eerste band heet Brontapoe, de ‘brandende wereld’. Ze spelen kaseko, maar ook de snellere kawina. Door het gebruik van enkel percussie, letterlijk back to the roots. Of zoals Teddy uitlegt: ‘De kawina is meer naturel… in de jungle waren geen blaasinstrumenten.’ Zo simpel lag het. Net als de afrolook van de jonge Treurniet: ‘Je had gewoon geen geld om naar de kapper te gaan.’ Vlak voor zijn vertrek naar Rotterdam zong Teddy alweer in de nieuwste Afro-Amerikaanse stijl. Soul! Met een stem zo babysmooth als Brook Benton en Sam Cooke.

 

Jongerencentrum ‘De Tempel’,
West-Kriuisdkade

In 1960 zijn er nog maar weinig Surinamers in Rotterdam. Maar Teddy maakt met zijn natuurlijke charme en kroeshaar, al snel een hele bos blanke vrienden. In studentensociëteit AMVJ (Mauritsweg) richt hij eind ’62 Rotterdams eerste soul & blues band op, the Needles, waarmee hij voornamelijk in het Duitse en Franse circuit opereert. In het moderne Rotterdamse nachtleven laveert Teddy tussen cafés als de Wieck, Pacific, Williams Paradise, Pardoel, maar vooral de Fles op de ’s-Gravendijkwal, waar de begintwintiger zich als een vis in het water voelt. Hij raakt er bevriend met swingende artistiekelingen als Deelder, Vaandrager, Vogel, Verhagen en Vinkenoog, die allemaal zijn illegale huiscafé de Speakeasy bezoeken. Als deze vroege hippie hangout te druk wordt huurt Teddy eind 1968 de leeggelopen Jozefkerk op de West-Kruiskade. Op de hoek waar nu ‘dat Surinaamse bejaardenhuis’ staat.

De Jozefkerk wordt omgedoopt tot De Tempel. Het eerste blauw van de hasjlucht staand jongerencentrum. Vol hippe miniwinkeltjes, glas in lood, en muurschilderingen van Leendert Leduc. Publicist Peter Bulthuis: ‘Tja, de gemeente wilde wel een soort Paradiso.’ Het podium werd officieel en zeer luidruchtig ingewijd door de net uit de Small Faces gestapte zanger Steve Marriott. Buiten staan wijkbewoners met grote ogen te kijken naar de bontgeklede stoet freaks, die langzaam hun oude zondagsschool binnendruppelen. Naar de Boeddha Bar achterin de kerk, waar blacks en blanken, the best of both worlds, mixen in hogere sferen. Genieten op roodfluwelen bankjes. De velvet underground die zo lekker zit. Of heerlijk stoned dansen op de nieuwste soul & tripplaten, die enthousiast worden aangekondigd door deejay Teddy Treurniet. De zwarte preacher op de witte scene.

The Sound of Parbo deel 2

PietHein

PietHein

Sociale Akademie/Kultureel werker
Toneelacademie Maastricht
Schrijvervakschool 't Colofon
Toneelschrijven, columns
Werkte als acteur en danser in films en theater
Werkte als regisseur aan theaterproducties
Is oprichter Buurtatelier Zwaerdecroonstraat
Werkt voor Cretopia-Rotterdam
Werkt voor Wow-Rotterdam
Werkt voor M.I.E.P West-Kruiskade (marketing, imago, events, pr)
Werkt voor Rotterdam Street Art Museum
PietHein

Latest posts by PietHein (see all)

Met dank aan Evan van de Most. Dig It Up.

Sound of Parbo, dig it up

Mephisto

Aankondiging Mephisto

Als we omkijken? En gaan graven. Wat vinden we dan? Dat er in de jaren 30 al aardig wat Surinamers naar (jazzstad) Rotterdam komen. En zich hier, in tijden van opkomend fascisme en werkloosheid, juist dankzij de donkere huid, uitstekend redden als muzikant, tapdansende kelner of portier. Met brede pet en goudgerande jas. Want juist in donkere tijden, was Rotterdam altijd een bruisende stad! Een voorbeeld. Diep in de winter van 1928 staken twee jonge Surinamers, Arthur Parisius en Frits Blijd, als stowees, verstekelingen, op het stoomschip Cottica de koude oceaan over. Op een dubbeltje en een zak stoweekoekoe. Surinaamse koeken, waar je zo lekker lang op kan teren. Eenmaal veilig aangekomen blijft Frits in Amsterdam, en vind Arthur een baantje bij een bakker in Rotterdam. Negen jaar verder vinden we Arthur terug als explosieve tenorsaxofonist in ‘Negerpaleis Mephisto’. De legendarische jazzclub op de Oude Binnenweg waar hij onder de naam Kid Dynamite het Rotterdamse publiek letterlijk de dansvloer op blaast! Leert dansen. De eerste maand als swingende ‘Amerikaansche Saxofonist’… bij de Negro-Showband from New York van Teddy Cotton… het alter ego van de Surinaamse trompettist Theodorus Kantoor. De maand erop horen we Kid als Señor Dynamite, bij het Cubaanse orkest van José Baretto, dat weer het alias is van de Surinamer Max Woiski. Beide orkesten treden op in de enorm grote muil (het podium) van een zeven meter hoge bordkartonnen duivel: Mephisto. Naast een batterij Surinaamse kelners horen we buiten op de Binnenweg luid en duidelijk de stem van Kid’s ouwe medeverstekeling, Frits Blijd, als portier en propper van Mephisto: ‘Komt dat zien! Komt dat zien! Teddy Cotton en Kid Dynamite! De sensatie van New Yorks negerwijk Harlem… In Rotterdam!!!’

Dus… op het moment dat witte jongeren voor het eerst vol bewondering opkijken naar zwarte Amerikaanse jazzmuzikanten, blijken dat ongelofelijk genoeg vaak Nederlanders met een donkere huidskleur! Een bewondering die des te groter werd als je zelf speelde: Rotterdammer Hans Sleutelaar omschreef Kid Dynamite later als, ‘een dikke, goedlachse man. Je kon ábsoluut horen dat hij geen blanke saxofonist was. Swing hè! Toon! Daarin onderscheidt een muzikant van de eredivisie zich van een eersteklasser.’

The Sound of Parbo

PietHein

PietHein

Sociale Akademie/Kultureel werker
Toneelacademie Maastricht
Schrijvervakschool 't Colofon
Toneelschrijven, columns
Werkte als acteur en danser in films en theater
Werkte als regisseur aan theaterproducties
Is oprichter Buurtatelier Zwaerdecroonstraat
Werkt voor Cretopia-Rotterdam
Werkt voor Wow-Rotterdam
Werkt voor M.I.E.P West-Kruiskade (marketing, imago, events, pr)
Werkt voor Rotterdam Street Art Museum
PietHein

Latest posts by PietHein (see all)

Met dank aan Evan van der Most/Dig It Up

The Sound of Parbo

In de jaren 70 nestelde zich een deel van de meer dan 400 jaar oude Afro-Surinaamse gemeenschap op de Rotterdamse West-Kruiskade. Haarfijn voelde zij als eerste de nieuwe wind van reggae en hiphop. The winds of change. Tegendraads kroeshaar en nieuwe podia als Kwakoe en Nighttown veranderden de Kruiskade in de muzikaalste straat van Nederland.

door André Hart

LP hoes Star Lord met handtekening Roel

Rotterdam is niet alleen een bruisende stad, maar ook een muzikaal schateiland. Je hoeft hier alleen maar te graven – Just dig it up. Mijn eerste reggaeplaten bijvoorbeeld, scoorde ik begin jaren 80 achter het Centraal Station, ins het piepkleine hoekpand van Hans Tweedehands. Ze waren nog goedkoop, hadden duidelijk geleefd, en op een aantal was de naam Roël gekrast. Een Surinaamse voornaam. Honderden reggae-elpees verder kwam ik tot de conclusie dat zeker 90% uit Surinaamse handen komt. En dat die handen graag met viltstift op hoezen kliederen. Misschien wel het begin van de graffiti.

Mau Fabri

Mau Fabri

Al iets meer over reggae op de Kruiskade kom ik te weten van Mau Fabri. Een Surinamer die in mijn geboortejaar 1958, samen met een vriend als verstekeling naar Rotterdam kwam. Toen beiden op de Nieuwe Waterweg van boord sprongen, kon Mau ter hoogte van Maassluis opgevist worden. De vriend verdronk. Na vele avonturen werd Mau sociaal werker bij het West-Kruiskade Project. In 1976 schreef hij het eerste boze zwarte boekje van Rotterdam, over heroïne & racisme op de Kade. In ‘Het witte monster’ lees ik dat… ‘De reggae spot met de blanke onderdrukker en vertelt van de mooie zwarte huidskleur. Elke Surinaamse jongen heeft wel een plaat van Bob Marley in huis. Muziek die meehelpt een eigen geloof en zelfrespect op te bouwen. Vooral nu de heroïne ons bedreigt is zo’n geloof een krachtig wapen.

Parbo

Single uitgebracht op Midnite Records

Sommige Surinamers hadden duidelijk een muzikale voorsprong. Mijn rommelmarktvriend Roy bijvoorbeeld, hoorde in het Paramaribo van eind jaren 60 al die snelle beat, van wat liefhebbers later early reggae noemden. De enige platenzaak van Parbo importeerde namelijk rechtstreeks vanuit het nabije schateiland Jamaica. Roy laat zich er niet op voorstaan, maar toen hij in 1970 gewapend met muzikale voorkennis naar Rotterdam kwam, runde hij allerlei platenzaken, organiseerde eerste concerten, en bracht vanaf 1978 met zijn Midnite Records-label (de naam is een ode aan een muzikale snackbar in Parbo), een serie state of the art reggaeplaten uit. Big Youth, Jah Woosh, Creation Rebel, maar ook een Kroeskadeband als Easy.

Roy was overigens niet de enige Surinamer die een gat in de markt zag. Rond 1978 was het aantal platenzaken meer dan verdubbeld en als een virus over de vooroorlogse wijken verspreid. Deze vaak duistere en kortdraaiende zaakjes (zoals de naar een zwarte pulpfilm vernoemde ‘Mack Record Shop’), verkochten soulsingels, reggae, soca, kaseko of Bollywood soundtracks. Klassiek analoog zwart goud, dat vijf jaar later, met de opkomst van de tweedehands platenwinkel, vooral op de blanke Binnenweg te scoren viel. ‘Surinamers hebben geen bewaarcultuur’, zegt Roy daarover. Surinamers kijken niet om. Zoals Peter Tosh zong: ‘You got to walk and don’t look back!

(Volgende keer deel 2)

Top